5.5 Doe-opdracht: proefjes zintuigen

5.5 Doe-opdracht: proefjes zintuigen

Proefje 1 (tastzin):
In de tas zitten allerlei spullen. Kijk niet in de tas, maar voel er met één hand in. Pak een voorwerp. Hoe voelt het? (Zacht, koud, ruw, glad, …?). Wat is het? 

Proefje 2 (tastzin):
Op hoeveel manieren kun je voelen of het water koud is (bijvoorbeeld met je neus, elleboog, duim, …).

Hoe voelt het als je eerst tien tellen je hand in koud water doet en dan in lauw water?

Hoe voelt het als je eerst je hand tien tellen in warm water doet en dan in lauw water?

Kun je met je ogen dicht voelen of het water koud, warm of lauw is?

Proefje 3 (ruiken en proeven):
Proef verschillende dingen eerst met je neus dicht en daarna met je neus open. Wanneer proef je het best?

Je neus helpt bij het proeven. Je tong kan maar vijf smaken proeven, terwijl je neus wel 10.000 geuren kan ruiken.

Proefje 4 (ruiken en proeven):
Ruik en proef de vijf basissmaken: zoet, zout, zuur, bitter en umami. Vertel aan elkaar wat je van de smaken vindt. En waar proef je welke smaak op je tong het best?

Proefje 5 (zicht):
Rol een vel A4 papier op als een koker. Bedenk zelf (of met elkaar) drie proefjes die je hiermee kunt doen.